Handhaving bij herontwikkeling van voormalige stortplaatsen

Datum : 23-9-2019 22:18:42
Door : Michiel de Groote

Handhaving bij herontwikkeling van voormalige stortplaatsen

Vandaag is een uitspraak van de Gelderse rechtbank verschenen over een handhavingsverzoek naar aanleiding van bouwactiviteiten op een voormalige stortplaats in Ede. Het verzoek was gericht aan Gedeputeerde Staten van Gelderland (GS). Het betreft overigens een uitspraak van vorig jaar, die om een mij onbekende vandaag pas is gepubliceerd. Volgens omwonenden lekte er verontreinigd water naar de omgeving op het moment dat de aannemer door de afdekfolie van de stortplaats stootte. Omdat GS niet op tijd beslisten op het verzoek, hebben de bezorgde omwonenden beroep bij de rechtbank ingesteld. Onderwijl hebben GS het verzoek om handhaving afgewezen. GS achtte zichzelf niet bevoegd tot handhaving. De rechtbank moest beoordelen of die redenering juist was. Deze zaak is interessant, omdat er drie bevoegde gezagen een rol kunnen hebben in een dergelijk geval (afhankelijk van de exacte situatie). De rechtbank oordeelde dat GS inderdaad niet bevoegd waren tot handhaving. Daar is nog wel iets over te zeggen.

Het college van B&W van Ede had in deze zaak een omgevingsvergunning verleend om op de stortplaats een uitkijkpunt te maken (uitkijktoren Wekerom). Er zijn in Nederland twee soorten stortplaatsen, te weten voormalige (of oude) stortplaatsen en Wm-stortplaatsen. De laatste vallen onder de Wet milieubeheer. Sommige Wm-stortplaatsen zijn al gesloten, andere zijn nog open. De milieuregels zijn best streng voor Wm-stortplaatsen (zie verder het nog altijd actuele artikel ‘Herontwikkeling van stortplaatsen, Kansen en belemmeringen vanuit milieurechtelijk perspectief’ in TO 2011, pag. 67-76). De voormalige stortplaatsen zijn veelal afgedekt en in sommige gevallen is er nog een vorm van nazorg (denk aan monitoring). Herontwikkeling van voormalige stortplaatsen komt best vaak voor; de Edense uitkijktoren is daar een illustratie van.

Wat betreft de handhaving van de omgevingsvergunning staat het college van B&W aan de lat, dat staat buiten kijf. Het kan zijn dat er in de omgevingsvergunning voor de uitkijktoren voorwaarden waren opgenomen over het stortlichaam en/of de afdekfolie. Het per ongeluk doorsteken van de folie zou dan iets zijn voor handhaving door de gemeente. GS zouden dan inderdaad geen handhavingsbevoegdheid hebben. De provincie laat toezicht en handhaving overigens uitvoeren door de betreffende omgevingsdienst (bij Ede is dat Omgevingsdienst De Vallei). Maar het kan ook zo zijn dat verontreinigd water uit een stortlichaam bodemverontreiniging veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. De verantwoordelijke handelt dan in principe in strijd met artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb). Voor (dreigende) bodemverontreiniging is de overheid aan zet die volgens de Wbb het bevoegde gezag is. Slechts een aantal grotere gemeenten is Wbb-bevoegd gezag. Ede hoort daar niet bij (zie het ‘Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wbb’). Dat betekent dat GS bevoegd gezag zijn voor handhaving bij (dreigende) bodemverontreiniging. Het lijkt erop alsof GS dus wel degelijk een rol hadden of hadden kunnen pakken. Mocht er geen gevaar blijken te zijn voor bodemverontreiniging, dan hoeft er natuurlijk niet te worden gehandhaafd. Maar de bevoegdheid is er dan wel. Nu stelden GS dat ze geen handhavingsbevoegdheid hadden. Dat lijkt niet geheel juist, al ken ik niet de details van het dossier.

Gekeken naar de uitspraak en het daarin beschreven handhavingsverzoek valt op, dat er weinig is aangestuurd specifiek op de Wbb. De woorden bodemverontreiniging of Wbb komen niet in het verzoek voor. GS hebben hier zelf geen aandacht op gevestigd. Zij hebben zich in hun verweer enkel gericht op het gegeven, dat GS een wettelijke taak hebben bij Wm-stortplaatsen en niet bij voormalige stortplaatsen (wat juist is). Daarnaast lees ik in de uitspraak niet terug dat de rechtbank over bodemverontreiniging heeft gesproken. Concluderend, dit onderwerp is waarschijnlijk onderbelicht gebleven.
Overigens, naast de gemeente en de provincie zou ook het waterschap nog een handhavingstaak kunnen hebben in dit soort situaties. Zodra oppervlaktewater verontreinigd raakt door uitstromend ‘lekwater’ uit het stortlichaam, dan is het waterschap aan zet. Artikel 6.2 van de Waterwet biedt hier de basis voor. In het ideale geval zullen de bevoegde gezagen de aanpak onderling afstemmen.
En zo is de Edense uitspraak op zich niet onbegrijpelijk, maar was er nog wel iets over te zeggen.

Hier vindt u de link naar de uitspraak: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:4165&showbutton=true&keyword=ECLI%3aNL%3aRBGEL%3a2018%3a4165

Michiel de Groote, advocaat

[Photo by J. Quinten on Unsplash]

Terug