GEEN RECHT OP VRIJ UITZICHT
Bij de online bespreking van de laatste waterrechtspraak in juni kwam een zaak aan de orde die ging over een dijkversterking (ECLI:NL:RVS:2026:1959). Omwonenden hadden daar problemen mee, onder meer vanwege een aantasting van het uitzicht. De hoogste bestuursrechter oordeelde dat er géén recht op vrij uitzicht bestaat. Dat was dus geen reden om het project te verbieden. Maar wat speelde er precies in deze zaak? En, misschien nog interessanter, geldt de rechtsregel ‘geen recht op vrij uitzicht’ voor alle rechtszaken?
Dijkversterking bij Ravenstein
Het verantwoordelijke waterschap had een projectplan vastgesteld ten behoeve de dijkversterking Ravenstein-Lith. Omdat de Brabantse zijde van het riviertraject bij Ravenstein niet aan de veiligheidsnormen voldeed, wilde het waterschap de dijk versterken over een lengte van ruim 26 km. Discussie was er over de gekozen variant. Bij het vestingstadje Ravenstein kreeg een variant met damwanden de voorkeur boven een gronddijk. Het voordeel daarvan is onder meer dat er in de toekomst nog ruimte is voor eventuele nieuwe versterkingen. Ook speelde mee dat er met een damwandconstructie minder oude resten van de antieke kademuur zouden verdwijnen. Zoals gezegd was een van de argumenten van tegenstanders, dat hun uitzicht verslechterde. In rechtsoverweging 11.5 van de uitspraak maakt de rechter korte metten met dat argument. De Afdeling overweegt “dat een blijvend recht op vrij uitzicht niet bestaat”.
Eerdere bestuursrechtelijke jurisprudentie
De Afdeling heeft in de uitspraak over Ravenstein rechtspraak uit 2017 genoemd, waarin een vergelijkbaar argument speelde. Deze zaak (ECLI:NL:RVS:2017:241) ging over een Limburgse dijkversterking, een uitvloeisel van het project Maaswerken. In rechtsoverweging 6.5 van deze uitspraak valt te lezen dat er feitelijk geen uitzichtverslechtering was, “nog daargelaten dat een blijvend recht op uitzicht niet bestaat”. Het is dus wel duidelijk dat bij dijkversterkingen in Nederland het uitzichtargument omwonenden geen soelaas kan bieden.
Vergelijking met het burgerlijke recht
Tegen deze achtergrond is het interessant om te zien dat in april 2026 een burengeschil juist werd gewonnen met als reden dat het uitzicht werd verpest (ECLI:NL:RBOBR:2026:2966). Omdat het een burengeschil betreft speelde deze rechtszaak niet bij de bestuursrechter, maar bij de burgerlijke rechter. Die is daarvoor bevoegd. Het ging om twee vrijstaande huizen, waarbij de ene buurman een flinke hoeveelheid hoge, Turkse eiken had geplaatst direct langs de erfafscheiding. De andere buurman was daar niet van gecharmeerd en betoogde dat er sprake was van onrechtmatige hinder (artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek). De eigenaar van een erf mag niet in een mate die onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Of hinder daadwerkelijk kwalificeert als onrechtmatig wordt bepaald door te kijken naar de aard, de ernst en de duur van de hinder. Alle omstandigheden van het geval mogen worden meegewogen. Vaak wordt er geen schadevergoeding gevorderd, maar een maatregel die de hinder ongedaan maakt. Een Turkse eik bereikt gemakkelijk een hoogte van 20 tot 30 meter. De rechter oordeelde dan ook, dat de substantiële afname van bezonning en daglicht, tezamen met het onthouden van uitzicht onrechtmatige hinder opleverde. De bomen moesten heel kort worden gehouden, namelijk op 2.10 meter en wel op straffe van een civielrechtelijke dwangsom van 500 euro per dag met een maximum van 50.000 euro. Dit is trouwens wel een spaarzaam voorbeeld, want lang niet altijd levert het argument van het uitzicht succes op bij de burgerlijke rechter.
Planschade en nadeelcompensatie
Om te voorkomen dat er een beeld ontstaat dat er geen recht op schadevergoeding bestaat in het bestuursrecht vanwege uitzichtproblemen, is het goed om te kijken naar planschade en nadeelcompensatie vanwege (grote) bouwprojecten. Soms moet je als burger een bepaald project, bepaalde bouwwerken, accepteren – maar bestaat er wel een recht op compensatie. Denk bij planschade bijvoorbeeld aan het bouwen van drie woontorens (waarvan de hoogte 170 meter hoog werd) bij de Gedempte Zalmhaven in Rotterdam. Omwonenden moesten de bouw dulden, maar hadden we recht op een financiële compensatie voor de uitzichtschade (ECLI:NL:RVS:2025:5447).
Conclusie
Een vrij recht op uitzicht bestaat niet; bij de bestuursrechter win je er geen zaak mee. Maar er bestaat soms wel recht op planschade of nadeelcompensatie bij uitzichtbeperking. In zoverre is er dus wel een soort recht op uitzicht. Ook in het burenrecht is er een recht op uitzicht, al is dat niet zo snel geschonden. De uitroep van de hoogste bestuursrechter (recht op vrij uitzicht bestaat niet) is niet onjuist, maar het moet wel in de context worden bezien.
Michiel de Groote