GEWASBESCHERMINGSMIDDEL PITCHER MOET UIT DE HANDEL
Een gewasbeschermingsmiddel kan alleen worden toegelaten (of goedgekeurd), als het voldoet aan de eisen uit de Gewasbeschermingsmiddelenverordening. Daaraan toetst het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) het middel. Op 11 augustus 2026 is in een rechtszaak beslist dat het middel Pitcher ten onrechte is toegelaten en dat het uit de handel moet worden gehaald. Het middel wordt gebruikt in de bollenteelt en bevat fludioxonil, dat hormoonverstorende eigenschappen heeft.
Trend
De algemene maatschappelijke trend is dat er steeds meer vragen zijn over het toelaten van gewasbeschermingsmiddelen. Ook in de rechtspraak zie je dat wel terug. Er zijn steeds vaker procedures van burgers tegen telers die gewasbeschermingsmiddelen gebruiken. Ze zijn daarin soms ook succesvol – zie dit blog voor enkele voorbeelden over rechtszaken tegen lelietelers. Daarnaast proberen ook milieuorganisaties in de rechtszaal op te komen tegen het gebruik of het toelaten van gewasbeschermingsmiddelen. Van het laatste is de uitspraak over het middel Pitcher een voorbeeld. De organisatie PAN Europe vocht het (voorlopig) toelaten van het middel Pitcher succesvol aan bij het Cbb – de bestuursrechter die over dit soort zaken gaat.
Volledige toets is noodzakelijk
Naast een Europese goedkeuring van een middel is er ook een nationale goedkeuring nodig. Pas dan mag een middel worden gebruikt. Het gaat in deze zaak over die nationale goedkeuring. Lang niet altijd heeft een nationale beoordelingsinstantie voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen het bij het rechte eind. Die conclusie valt te trekken na uitspraken in Frankrijk en over Nederland (zie dit Europese arrest), waarin het Franse ANSES en het Ctgb in het ongelijk werden gesteld. Heel kort gezegd is de vraag steeds of er elke keer volledig moet worden getoetst aan alle beschikbare informatie en onderzoeken (ook de negatieve) die op een toetsingsmoment beschikbaar zijn. En het antwoord is ja. Op die manier kan er pas echt worden gekeken of er gevaren zijn voor mens, dier en milieu.
De Pitcher-zaak
De rechter oordeelt dat het Ctgb niet de keuzemogelijkheid heeft om, in afwachting van een volledige beoordeling door de Europese Commissie, Pitcher toe te laten. Sterker nog, de bevoegde autoriteit die belast is met de beoordeling van een toelatingsaanvraag voor een middel moet bij het onderzoek van deze aanvraag rekening houden met de ongewenste effecten die de hormoonontregelende eigenschappen van een werkzame stof in dat middel kunnen hebben op de mens. Daarbij moet de op het moment van dat onderzoek beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis worden betrokken. In de Pitcher-zaak heeft het Ctgb dit niet goed gedaan. Vooral in artikel 4 van de Gewasbeschermingsmiddelenverordening staan de eisen. Vereist is dat een middel geen schade kan berokkenen aan mens en dier. Het Ctgb had (ook) onderzoek moeten doen naar de hormoonontregelende eigenschappen van fludioxonil die gevolgen kunnen hebben voor niet-doelwit organisemn. Omdat dit niet is gebeurd, kan niet worden gezegd dat het middel veilig is en moet het uit de handel. Het kan overigens zijn dat het middel later alsnog wordt goedgekeurd, maar voor nu is de boodschap duidelijk. Ook voor wat betreft de wijze van toetsen.
Michiel de Groote